Aanmelden
 Wachtwoord vergeten?

Adolescenten, ouders en middelenmisbruik

Gepubliceerd door Barbara Arbesser op:
donderdag, 24 januari 2008

Pubers en adolescenten kunnen voor een opvoeder heel ontwapenend zijn. Ouders kunnen erg van pubers en adolescenten genieten, net zoals van kinderen in een eerdere ontwikkelingsfase De overgang van de kindertijd naar de volwassenheid gaat gepaard met heel wat experimenteren door de jongere, wat niet altijd eenvoudig voor de ouders is. Veel ouders ervaren dilemma’s met betrekking tot het evenwicht tussen begrip tonen, vrijheid bieden en grenzen stellen. Veel ouders vrezen dat hun kind “ontspoort”, in aanraking komt met verkeerde vrienden en drank en drugs gaat gebruiken. Een veel gevreesd voorbeeld hiervan is misbruik van alcohol, sigaretten en drugs bij pubers en adolescenten (Efionayi-Maeder,1996). Veel ouders vragen zich af hoe zij vanuit hun positie hun jongere kunnen behoeden voor de schadelijke gevolgen van middelenmisbruik, het liefst op een manier die door beide partijen als prettig wordt ervaren.

Dit artikel richt zich op de meest voorkomende vormen van middelenmisbruik bij jongeren: sigaretten, drank en softdrugs.

Uitlokkende risicofactoren voor middelenmisbruik

Biologische factoren
Bij jongeren tot ongeveer 20 jaar zijn de hersenen nog niet volgroeid. Met name jongere pubers zijn hierdoor vanuit biologisch perspectief geneigd tot onmiddellijke behoeftebevrediging zonder veel stil te staan bij de gevolgen. Ook bepaalde hormonen in de puberteit dragen bij aan een grotere neiging om risicovol gedrag te vertonen (Hennessy & Romer, 2007).

De peergroup: ‘’erbij horen’’
Een peergroup is een groep jongeren, waartoe de adolescent zich rekent of waarmee hij of zij zich graag verbonden wil voelen. Peergroups spelen een grote rol bij de identiteitsvorming en de mate waarin een jongere zich bij een peergroup voelt horen, hangt sterk samen met zijn welbevinden. Met name meer onzekere jongeren zullen dus snel geneigd zijn gedragingen van de zogenaamde ‘peers’ over te nemen, om bij de groep te horen. Als roken, veel alcohol drinken en drugsgebruik binnen de peergroup de norm is, zal de adolescent dus eerder geneigd zijn dit gedrag over te nemen (Santrock, 2001, Hennessy & Romer, 2007).

Jason (16): ‘’Als ik op een hockeyfeest niet minimaal 10 biertjes weet achterover te tikken, word ik door mijn vrienden uitgescholden voor loser. Ja, een poos geleden had een teamgenoot van mij een bloedvergiftiging door alcohol. Ik was er heel erg van geschrokken maar het hoort nu wel bij de sterke verhalen van ons team, iedereen om me heen vind die jongen cool.’’

Familiaire omstandigheden
In hoeverre een slecht voorbeeld van ouders directe invloed heeft op middelenmisbruik bij een jongere is niet bekend. Wat wel bekend is, is dat er bepaalde factoren binnen een gezin aanwezig kunnen zijn, die de kans groter maken dat een jongere gaat roken, drinken en blowen. Voorbeelden hiervan zijn een verstoorde relatie tussen moeder en kind of een weinig harmonieus gezinsklimaat (Rispens, Goudena & Groenendaal, 1994).

Negatieve gevolgen van sigaretten, alcohol en softdrugs

Het grootste gevaar van alcohol en softdrugs is het mogelijke effect op de hersenen. Alcohol en cannabis ‘’verdoven’’ de hersenen waardoor de remming wegvalt en de adolescent zich vrijer en vrolijker voelt, maar ook trager gaat reageren. Overmatig drinken of blowen kan voor permanente beschadiging van de hersenen zorgen. Bij jongeren onder de zestien jaar hebben alcohol en softdrugs een heftiger effect op de hersenen omdat de hersenen dan nog sterker in de groei zijn. Overmatig alcohol- of drugsgebruik kan tot directe beschadiging leiden maar ook een belemmering van de groei van de hersenen tot gevolg hebben. Hierdoor kunnen er bij jongeren meer gedrags- en concentratieproblemen ontstaan. Een bijkomend risico van overmatig alcoholgebruik is een blijvende leverbeschadiging (Tapert, Calwell & Burke, 2005; Carpenter-Hylanda & Chandler, 2007).


Sigaretten en joints bevatten teer, nicotine en koolstofmonoxide, schadelijke stoffen, die zich in de longen afzetten en een verminderde longcapaciteit tot gevolg hebben. De jongeren worden kortademig, omdat hun longen minder eenvoudig zuurstof kunnen opnemen. Ten slotte wordt het risico op longkanker en hart- en vaatziekten aanzienlijk verhoogd (Davies, 1999).

joint

Wat kan een ouder doen?

Het is niet mogelijk om richtlijnen te geven die voor iedere ouder en elke adolescent gelden. Niet alleen is elke ouder-kind-relatie anders, ook de persoonskenmerken en omgeving waarin de jongere opgroeit spelen een rol (Gray, 2002).

Over een aantal zaken zijn de meeste deskundigen en wetenschappers het echter eens: Het is van belang de kinderen al op jonge leeftijd op de hoogte te stellen van de gevaren die roken, drinken en drugs met zich meebrengen. Naarmate het kind ouder wordt, kan de ouder steeds dieper ingaan op de gevaren. Het beste is om in gesprek te gaan met het kind, in plaats van een preek te houden over de gevaren van het risicovolle gedrag (Schulz, 2000). Dit kan bijvoorbeeld naar aanleiding van een project op school of een bericht in de media. Vraag de jongere bijvoorbeeld wat hij of zij ervan vindt en luister ernaar.


Stel aan jonge adolescenten (tot ongeveer 16 jaar) zoveel mogelijk duidelijke grenzen en wees hier consequent in (Hayes, Smart, Toumbourou,& Sanson, 2004). Wanneer u heeft afgesproken dat de adolescent op feestjes geen alcohol mag drinken, schenk dan ook thuis geen alcohol in. Voor de ontwikkeling van de hersenen is het wenselijk dat kinderen tot 16 jaar helemaal niet drinken. Dit kan in de huidige maatschappij, waarin jongeren steeds sneller mondig en rijp lijken te worden, best lastig zijn. Sommige ouders kiezen er daarom voor hun jongere bijvoorbeeld op zijn vijftiende af en toe een biertje of wijntje mee te laten drinken. Wat u ook beslist, in alle gevallen is het van belang dat u ook duidelijke afspraken maakt over hoeveel er buitenshuis mag worden gedronken. Wijs een jongere op zijn verantwoordelijkheden (de Vos-van der Hoeven, 2006, Hayes et al., 2004). Een doorgaans werkzame regel is een afgesproken tijdstip waarop de jongere thuis moet zijn, met als eventuele sanctie bij ongehoorzaamheid dat het kind de volgende keer niet op stap mag. Als u merkt dat uw kind zijn verantwoordelijkheden nakomt, kunt u de grenzen wat versoepelen. Het is echter altijd belangrijk dat de grenzen voor zowel de adolescent als voor de ouder duidelijk zijn. Hiermee kunnen niet alleen veel discussies vermeden worden, het biedt ook de veiligheid die juist in deze ontwikkelingsfase van cruciaal belang is (Matthijs & Vincken, 2002).